In een dicht, oerwoudachtig bos woonden hardwerkende kabouters. Zelfs in de winter zaten zij niet zonder werk, maar hielpen zij de bosbewonersvoedselvergaren. Bovendien maakten zij de boomkruinen vrij van sneeuw, zodat de felle zon in elke hoek van het bos kon doordringen.
De kabouters hielden erg van de Winter, maar tegen het einde van februari begonnen zij naar warme dagen te verlangen.
Op een gegeven moment besloten zij op zoek te gaan naar de Lente.
De kabouters rennen over het pad, en tegemoet komt hun de Herfst.
En zij vraagt:
Waar haasten jullie je zo naar toe?
We zoeken de Lente, we haasten ons naar haar toe!
De Herfst wilde de kabouters betoveren en in plaats van de Lente in het bos regeren, begon hun bomen te tonen die met goud beschilderd waren. De kleine bosbewonersmochten de grijze regenachtige dagen niet. Ze trapten niet in het goud.
Ze renden verder. Tegemoet komt hun de Winter.
Waar rennen jullie zo snel naar toe, kaboutertjes?
We zoeken de Lente, we haasten ons naar haar toe!
De Winter wilde langer in het bos blijven. Begon haar schoonheid te prijzen, zilverde bomen en struiken. Maar de kabouters waren hier niet meer in geïnteresseerd: alles staat al lang in de sneeuw. De Winter werd woedend en begon de weg dicht te sneeuwenenversterktedevorstweer. De kleine mannetjes bevrozen en renden verder om warm te worden.
Ze belandden op een weiland. Ze kijken en daar huishoudt de Lente volop! Vogeltjes fluiten, beekjes stromen, op sneeuwvrije plekken verschijnen de eerste sneeuwklokjes, groen gras breekt door.
Hoe graag hadden de kabouters dit! De Lente was blij, schonk de gasten felle zonnestralen. De bosbewonersgingen schitteren en hielpen hun vriendin met het huishouden.
En de Lente werd steeds warmer en mooier: zij weet dat de Zomer binnenkort op bezoek zal komen.