Er was eens een familie die in een dorp aan de rand van het bos woonde. Ze leefden arm, maar zeer harmonieus. Op een nacht in strenge vorst klopte een eenzame reiziger aan hun deur. Hij vroeg om onderdak voor de nacht, en de huisbaas liet de eenzame reiziger binnen, gaf hem soep en een bed om in te slapen.
Het huis was koud, en de kinderen sliepen dicht tegen elkaar aan om warm te blijven.
De eenzame reiziger liet ter dank voor de gastvrijheid magische stenen achter die leisteen werden genoemd en zei dat als je een beetje leisteen in de kachel zou leggen, het huis altijd warm zou zijn.
En in de zomer, toen de kinderen in de tuin van het huis speelden, vonden ze veel stenen en maakte de vader van deze steen tegels en bekleedde het vervallen huisje ermee. Het huis werd erg mooi en warm, en de paden rond het huis legde de eigenaar ook uit de magische steen.
Op een dag besloot de landjonker een rit door zijn bezittingen te maken en zag het mooie huisje, jaloezie greep hem aan dat het zo mooi was bij een eenvoudig mens.
De jaloerse landjonker nam de stenen van de arme man af. Hij dwong hem zijn hele huis, de paden en zelfs de kachel met leisteen uit te leggen. De landjonker wist niet dat de steen magisch was en geen slechte mensen mocht.
Zodra de kachel werd gestookt, vatten het huis en alles vlam en brandde af, de landjonker kon zich maar net redden.
Toen begreep de landjonker dat het kwaad dat hij de arme man had aangedaan naar hem was teruggekeerd! En de magische leisteen had hem gestraft!