Op Kerstnacht daalde een kleine fee uit de hemel neer in een klein stadje in de Oeral, waar een sneeuwachtige winter heerste met bijtende vorst. De bomen waren gekleed in witte, pluizige jassen, en de sneeuwhoopen waren zo hoog dat ze zowel auto's als mensen in de weg stonden.
De fee was voor het eerst op aarde neergedaald, en alles eromheen was ongewoon en interessant. Daarom wilde de tovenares graag vrienden maken en hun dromen vervullen. Landend op een takje van een boom waar een vogel van de kou ineen kromp, begon de fee te spreken.
Hallo! Wie ben jij? Heb je het koud?
De roodborstgoudvink draaide langzaam zijn hoofd en keek naar het piepkleine, doorzichtige meisje.
Fiew-fiew-iew-iew, ik ben een goudvink. Het is erg koud buiten. Ik heb het koud, ik heb honger. En wie ben jij?
Ik ben een kleine fee, ik ben voor één nacht uit de hemel op aarde gekomen om mijn vrienden te helpen. Wil je mijn vriend zijn?
Hoe kan dat nou: een vogel en een fee - vrienden. Gebeurt dat? Maar als je wilt, dan ben ik je vriend!
Wat hou je graag te eten? - vroeg de nieuwsgierige tovenares zachtjes.
Het zou fijn zijn om broodkruimels of graan te eten en warm te worden.
De kleine fee steeg hoog de lucht in, draaide rond als een tol, en de vorst begon af te nemen. Het werd warmer buiten, en van de hemel begonnen broodkruimels en graan op de boom waar de goudvink zat te vallen.
Dank je wel, fee! Fiew-iew-iew, fiew! - tjilpte de goudvink vrolijk.
Tot ziens! Tot volgende jaar! - riep de tovenares terwijl ze wegvloog.
De goudvink daalde van de tak af in de sneeuw en begon de kruimels op te pikken. Andere vogels uit het winterpark sloten zich bij hem aan.
Waar komt al dat eten vandaan? Waar komt zoveel rijkdom vandaan? - kakelden ze door elkaar.
Magie! - antwoordde de goudvink.
De fee vloog verder en zag: een roodachtige kat zat op de vensterbank van een groot huis en miauwd luid, trillend van de kou. Achter het glas klonk muziek en schaduwen bewogen over de muur.
Hallo! Wie ben jij? - vroeg de fee, naast de kat neerzitten.
Ik ben kat Moerka, ik zit onder het raam, en mijn baasjes vieren feest en zijn me vergeten. Ik miauw, maar ze horen me niet. Als ze maar het raam een beetje open zouden doen, dan zou ik snel naar binnen kunnen springen.
Laten we vrienden zijn! - stelde de tovenares voor.
Goed! Hoe heet jij?
Fee.
Wat ben je klein, - en de kat likte haar nieuwe vriendin met haar roze tongetje.
Ik ga nu omhoog en probeer het raam open te doen, en jij maakt je klaar om te springen.
De fee draaide snel rond als een tol en vloog naar het raam. Het raam ging open, en Moerka sprong naar binnen.
Dank je wel, vriendin! - miauwd Moerka, haar neus tegen het koude glas drukkend.
Tot ziens! - antwoordde de fee.
Ze vloog verder en zag: het was donker buiten, de sneeuwstorm raasde, de vorst beet, en een man zat alleen in de sneeuw bij de bushalte. De tovenares vloog naar hem toe en ging op zijn koude neus zitten.
Voelt u zich niet goed? Heeft u het koud?
Mijn hart doet pijn, en ik ben mijn medicijn thuis vergeten, - fluisterde hij nauwelijks hoorbaar.
Hoe kan ik u helpen?
Ik moet een ambulance bellen, - bracht hij nauwelijks uit en sloot zijn ogen.
Wat moet ik doen? - raakte de fee in paniek. - Hoe bel ik een ambulance - ik weet het niet. Ik moet iemand vragen.
Toen reed er een stadsbus voorbij, en passagiers stapten uit.
Kijk, daar zit een man in de sneeuw. Misschien is hij in slaap gevallen? - zei iemand.
Waarschijnlijk dronken! - riep een oudere vrouw luid en boos.
Toen vloog de fee naar haar neus.
Niet dronken, maar ziek, - schreeuwde de tovenares uit alle macht.
Ja-ja, ziek, - stopte de vrouw plotseling, zonder te begrijpen waar die dunne stemmetje in haar hoofd vandaan kwam. - Ik zal nu een ambulance bellen en wachten tot die aankomt.
Dat is goed! U bent niet slecht, u doet alleen maar alsof, - zei de fee en vloog hoog omhoog. De vrouw hoorde haar woorden. Ze keek om, maar zag niemand.
Kerstmis. Magie. Een wonder... - zei ze verbaasd terwijl ze '112' intoetste.