Er was eens een meubelfamilie: de kleine — een krukje, mama — een eetkamerstoel, papa — een bureaustoel, oma — een zachte fauteuil met een plaid en kussentje, en opa — een schommelstoel. En ze hadden een hondje — een poef.
Het kleine krukje werd vaak gevraagd om met de poef te gaan wandelen, omdat alle anderen het druk hadden.
Mama — de eetkamerstoel — kookte het eten voor het gezin. Papa — de bureaustoel — werkte de hele dag op kantoor. Oma — de zachte fauteuil met plaid en kussentje — breide zachte dekentjes voor de andere stoeltjes. Opa — de schommelstoel — las wijze boeken, schommelde peinzend heen en weer en kraakte zachtjes. Soms ging hij wandelen, maar hij was al oud en kon het krukje en de poef niet bijhouden.
Na elke wandeling zei mama — de eetkamerstoel — tegen iedereen dat ze hun pootjes goed moesten wassen, om de vloer in huis niet vuil te maken en om niet ziek te worden. Meestal luisterde de kleine en waste hij zich zorgvuldig, met zeep en soms zelfs met een sponsje.
Maar op een dag kwam hij thuis, keek naar zijn pootjes en besloot dat ze toch wel schoon waren. Buiten was het droog en schoon geweest, dus hij dacht dat hij niet vies was geworden. En dat betekende dat wassen helemaal niet nodig was.
Hij ging aan tafel zitten, en mama — de eetkamerstoel — vroeg:
Heb je je pootjes gewassen?
Ja, mama!
Antwoordde het kleine krukje.
Goed zo. Dan kunnen we gaan eten.
Ze gingen eten. Na het eten zei oma — de zachte fauteuil met plaid en kussentje — tegen het krukje:
Nu moet je je gezichtje wassen, en dan mag je gaan spelen.
Goed, oma!
Antwoordde de kleine, maar hij besloot dat hij niet vies was geworden, dus rende hij meteen naar zijn speelgoed. En hij waste zich niet.
Hij zat te spelen met zijn speelgoed en voelde dat zijn pootjes begonnen te jeuken. Hij krabde eraan, maar het ging niet over. En hoe langer het duurde, hoe erger het jeukte! Hij besloot het aan opa — de schommelstoel — te vragen, omdat die veel las en alles wist. Hij rende naar hem toe en zei:
Opa, waarom jeuken mijn pootjes zo erg?
Heb je ze gewassen?
Vroeg opa — de schommelstoel.
Nee. Maar waarom zou ik ze wassen als ik ze niet vies heb gemaakt?
Antwoordde het krukje verdrietig. En opa zei:
Je moet je wassen zelfs als je geen vuil ziet! Omdat bacteriën zo klein zijn dat je ze niet kunt zien zonder microscoop. Je moet altijd je handjes en pootjes wassen na wandelingen, voor het eten en na het toilet, zelfs als ze er schoon uitzien. En jij hebt je niet gewassen, dus ben je ziek geworden. We moeten snel naar de meubeldokter!
Papa — de bureaustoel — kwam net thuis van zijn werk. Hij pakte het kleine krukje en bracht hem meteen naar de beste meubelmaker — zo noemen ze de meubeldokter.
De meubelmaker bekeek de zieke pootjes, tikte met zijn hamertje en zei:
Door het vuil zijn hier kevertjes gekomen. We moeten deze pootjes afzagen en nieuwe maken. Maar ik heb geen geschikt hout meer. Daarom zal ik de rugleuning van het krukje nemen en daar nieuwe poten van maken.
De stoelenfamilie was verdrietig dat hun kind nu zonder rugleuning zou moeten leven. Maar ze moesten hem snel redden, voordat de kevertjes al het andere beschadigden.
De meubelmaker was lang bezig met losschroeven, zagen, snijden, schuren en vastschroeven. En hij maakte prachtige nieuwe pootjes voor het krukje! Gezond en sterk. En de kleine waste ze vanaf toen altijd-altijd voor het eten, na het toilet en na wandelingen.
En nu weet jij waarom alle krukjes op stevige pootjes staan, maar helemaal geen rugleuning hebben.