In een sprookjesdorpje woonde een kleine puppy genaamd Tuzik. Hij was vrolijk en sociaal, had veel vrienden, maar zij vonden het niet interessant om met de kleine puppy te spelen en liepen voortdurend voor hem weg en verstopten zich.
Tuzik stelde voortdurend vragen: waarom, waar gingen ze heen, maar zijn vrienden maakten altijd grappen en zeiden dat hij nog te klein was. Op een dag, na dezelfde woorden te hebben gehoord, voelde de kleine hond zich beledigd, begon te huilen en besloot voorgoed van huis weg te gaan.
Tuzik pakte een tas, verzamelde zijn favoriete speelgoed, haalde een boek uit de kast dat hij nooit uit handen gaf - dit waren zijn favoriete sprookjes, hij kende ze allemaal uit zijn hoofd - en ging er vandoor.
De puppy zwierf lang rond in de omgeving, totdat hij op een dag een dorp binnenkwam. Terwijl hij langs een mooi gebouw rende, hoorde Tuzik kinderstemmen, hij werd nieuwsgierig en besloot naar binnen te gaan.
Toen de kinderen een kleine puppy met een boekje in zijn poten zagen, renden zij naar hem toe, begonnen hem te aaien en stelden vragen over het kleurrijke boek. De puppy was zo blij dat ze in hem geïnteresseerd waren, dat hij al zijn kennis wilde delen.
De kinderen gaven hem op hun beurt een rondleiding over het terrein. Tuzik besefte dat hij nergens heen kon, dus vroeg hij de kinderen of hij bij hen kon blijven. Hij verlangde naar aandacht en zorg.
Vanaf dat moment bezochten de kinderen de puppy vaak, speelden met hem, en hij haalde het boek uit zijn tas en vertelde hun zijn favoriete sprookjes.