Een beertje zit op een boomstronk en huilt bitter. Een vosje loopt voorbij, ziet hem en vraagt:
Hallo beertje, waarom huil je?
Niemand wil met me spelen!
Het beertje zuchtte en snikte.
Waarom niet?
Ik weet het niet. Ik speelde met het egeltje en het wolfjong, maar toen joegen ze me weg!
Beledigd wreef het beertje met zijn pootje over zijn neus en keek weemoedig naar zijn vriendjes die in de buurt met dennenappels speelden.
Je kunt naar hen toe gaan en vragen of je mee mag spelen, zeg iets aardigs: "Alstublieft". Je kunt niemand dwingen om vrienden te zijn, je kunt alleen vragen of je mee mag spelen, je speelgoed delen en aardig en begripvol zijn.
Maar het beertje huilde alleen maar harder.
Het vosje kreeg medelijden met het beertje en besloot het zelf met zijn vriendjes te verzoenen. Het vosje liep naar het egeltje en het wolfjong:
Hallo vriendjes! Wat spelen jullie leuk!
Ja, we hebben veel plezier met zijn tweeën! We gooien dennenappels naar elkaar en we kunnen ook op doel gooien.
En de diertjes gooiden handig elk een dennenappel in een oude eekhoornholte.
Waarom nemen jullie het beertje niet mee in het spel, het voelt zich zo eenzaam?
Hij gedraagt zich slecht, hij trapt op onze dennenappels. En hij plaagt ons ook nog, toch egeltje?
Klaagde het wolfjong.
Ja.
Knikte het egeltje.
Nou, vergeef hem, hij zal het niet meer doen. Het beertje heeft alles bereid en wil alleen niet durven komen en om vergeving vragen. En trouwens, laten we samen spelen.
Nee, we vergeven hem niet, we hebben het prima met zijn tweeën! Toch egeltje?
Ja.
Het vosje haalde zijn pootjes op:
Zoals je wilt, ik ga terug naar het beertje.
Toen riep mama het egeltje naar huis. Het egeltje rende weg en het wolfjong bleef alleen achter.