Niemand weet meer waar en wanneer dit gebeurde, maar er ging ooit een legende rond in onze stad. Men vertelde dat er een echt hert door de bossen zwierf. En het was geen gewoon hert. In tegenstelling tot zijn soortgenoten liet dit hert overal een gouden spoor achter. Alle jagers geloofden dat het hert gewoon gevuld was met puur goud.
Men zei dat het ooit een jongeman was geweest die gestraft was voor zijn hebzucht. Hij zou van een tovenaar het laatste gestolen hebben, zijn gouden scepter meegenomen hebben. En daarvoor werd hij gestraft met een zware last: de boze magiër veranderde hem in een hert en vulde zijn buik helemaal met zijn geliefde gouden munten.
Of het waar was of een volksverhaal, niemand wist het zeker, maar het feit bleef een feit: waar het snelvoetige hert ook liep, overal bleef goud achter. En daarom was het een erekwestie voor elke jager om het te vangen en het kostbare metaal te bemachtigen.
Ook Pieter bleef niet aan de zijlijn. Hij werd beschouwd als de beste jager van het stadje: welk wild je ook aanwees, hij schoot het neer. Op zijn naam stonden zowel vlugge hazen als snelle vogels. Maar ondanks alles was deze jager rechtvaardig. Pieter raakte nooit gewonde dieren aan. Hij jaagde alleen op dieren die de mensen lastig vielen: kool van de velden stalen, gewassen vernietigden.
Maar hij kon niet weerstaan aan zo'n verleiding - een echt gouden hert neerschieten. Zonder lang na te denken gooide hij zijn geweer over zijn schouder en ging het bos in. Hij vond het hertje niet snel, hij moest urenlang door het struikgewas dwalen. Maar uiteindelijk kwam hij op een open plek, en daar zat het hertje.
Pieter hief zijn geweer naar zijn schouder, maar stopte plotseling. Het hert draaide zijn hoof naar hem toe, maar bewoog niet - het bleef alleen maar stilstaan en leek te huilen. En zo doordringend, zo menselijk...
En toen zag de jager dat de poot van het hert inderdaad bedekt was met goud. Voorzichtig legde hij zijn geweer op een nabije boomstronk, alsof hij wilde zeggen: kijk, ik doe je niets, liep naar het dier toe en begreep wat er aan de hand was.
De poot van het dier was gewond en er stroomde geen bloed uit - puur goud. Hij probeerde de poot aan te raken en het hertje huilde nog harder. De jager krabde op zijn hoofd, dacht even na - en zei:
Wees niet bang, ik zal je helpen, vooruit dan maar.
Hij plukte geneeskrachtig gras op de open plek, scheurde een lap van zijn kleding en verbond de poot van het dier.
Het zal snel genezen. Vooruit, ren weg. En laat je niet meer door mij zien.
Hij stampte met zijn voet.
Natuurlijk geloofde niemand thuis Pieter. In de stad zeiden ze dat hij het dier niet had kunnen vangen. Ze roddelden een beetje - en vergaten het. Maar men zegt dat hij een berg goud vond, precies op zijn drempel. Of dit waar is? Dat zal niemand ooit kunnen zeggen.