Er was eens een erg sportieve en vindingrijke kleine grondeekhoorn Kilsus. Kilsus werd niet zoals alle kinderen geboren, maar ondersteboven en zijn moeder gaf hem deze vreemde naam. Lees zijn naam van achter naar voren, en je zult alles begrijpen.
Op een koude winterdag sliep Kilsus zoet in zijn warme burcht. Hij droomde van zijn vrienden, de grondeekhoorns en eekhoorns, met wie hij zo vrolijk speelde in de zomer, aan de rand van het bos.
Ondertussen sprongen de eekhoorns behendig van tak naar tak van de dichte sparren.
Snel komt Nieuwjaar, dit feest vieren we met vrienden, laten we onze vrienden, de grondeekhoorns, bezoeken. Ik mis Kilsus zo!
Stelde Pijltje voor.
Hoe wekken we hen? Ze slapen 's winters zo diep.
Antwoordde de eekhoorntje Pluisje (zo werd ze genoemd vanwege haar snelle bewegingen).
Met Nieuwjaar gaan alle wensen in vervulling, ik stel voor om te wensen dat de grondeekhoorns drie dagen wakker worden.
Juist, en wij zullen alle sparren van onze bosrand versieren met gekleurde slingers en heldere lampjes ophangen!
Laten we hen de schoonheid van het feestelijke winterbos laten zien, laten we een sportieve spel spelen, we hebben al lang niet meer gestreden.
Een hele week versierden de eekhoorns de bosrand.
En toen kwam het feest. De klok sloeg twaalf. De eekhoorns lieten vuurwerk in de lucht af, dat met donderslagen over het winterbos rommelde.
Kilsus wreef zijn ogen uit en gaapte terwijl hij de deur van zijn burcht opende: "Wie maakt daar zo'n lawaai buiten?"
Dacht hij. Gekleurde vonken en glinsterende sterretjes van het vuurwerk vlogen op hem af uit de lucht:
Ma-ma! Help! Meteorietenregen! Het einde der wereld!
Schreeuwde de grondeekhoorn van schrik. Hij rende vooruit door de sneeuw, zinkend tot zijn middel bij elke stap.
Kilsus begreep niet hoe hij op de bosweide terecht was gekomen, waar zijn vriendinnetjes, de eekhoorns, en de door het vuurwerk net zo bang gemaakte vrienden, de grondeekhoorns, op hem wachtten.
Gelukkig Nieuwjaar! Wees niet bang – dit is vuurwerk voor Nieuwjaar, het brengt vreugde!
Riepen de eekhoorns in koor.
Ik dacht dat het een hartaanval was.
Fluisterde de grondeekhoorn Stipje (zo werd hij genoemd omdat hij graag rechtop stond) en greep zijn linkerborst.
Vergeef ons, als we jullie hebben bang gemaakt. We wilden jullie zo graag zien, jullie feliciteren met het feest en met jullie spelen.
Vroeg Pluisje om vergeving.
De vrienden stortten zich in elkaars armen, feliciteerden elkaar met Nieuwjaar, dansen in kringen. Ze speelden ook sneeuwballengevechten – de grondeekhoorns hadden dit nog nooit gezien. Voordat ze een sneeuwbal in hun poot namen, bekeken ze hem, snoven eraan en proefden hem zelfs. De eekhoorns vonden dit erg grappig, ze giechelden terwijl ze de grondeekhoorns met sneeuwballen gooiden totdat ze tot hun nek in de sneeuw zaten.
Oké, oké. Jullie hebben gewonnen!
Gaven de grondeekhoorns zich over.
Wat is er met de rivier gebeurd, waarom is ze hard?
Vroeg Kilsus verbaasd toen hij naar de rivier liep om te drinken en plotseling uitgleed en viel.
Ze is bevroren van de vorst.
Legde Pijltje uit.
Om niet constant te vallen, bracht Pluisje een sterke stok uit het bos voor Kilsus. De grondeekhoorn bewoog grappig over het ijs, zijn poten gleden weg, maar al snel had hij het onder de knie en gleed hij al met vaart over het ijs van de rivier, terwijl hij met het stokje een sneeuwbal voor zich uit rolde.
Je hebt een doelpunt tegen je! Ik heb je geraakt met een sneeuwbal!
Riep de vindingrijke Kilsus naar Pijltje.
Waarom op mijn poot, laten we iets niet-levends neerzetten en daar op schieten!
Zei Pijltje beledigd.
Ik wil ook sneeuwballen afslaan, Pluisje, breng ook mij een stok!
Vroeg Stipje.
En mij!
En mij!
Vroegen alle grondeekhoorns.
Pluisje rende snel naar het bos en bracht iedereen stokken met takjes die aan één kant waren gebogen, zodat het gemakkelijker was om sneeuwballen af te slaan. Een ander eekhoorntje bracht twee rechthoekige paddenstoelendrogers mee:
Hier, we zullen doelpunten in gooien, ze staan toch maar nutteloos!
Laten we in teams van zes verdelen: één bij de drogers – in het doel, drie aanvallers in het midden, en twee verdedigers – zullen het doel verdedigen.
Stelde Kilsus voor.
De vrienden begonnen het spel, maar de sneeuwbal verdween ergens na twee keer tegen de stok te zijn geslagen. De grondeekhoorns renden alle kanten op over het ijs, op zoek ernaar.
Heb je hem gevonden?
Vroeg de ene grondeekhoorn de ander.
Nee, en jij?
Giechelden de eekhoorns en legden uit waar de sneeuwbal was gebleven. Toen rende Kilsus naar zijn burcht, vond daar een klein stukje teer dat van een bal was overgebleven, mengde het met steentjes zodat het zwaarder zou zijn, en keerde terug naar zijn vrienden:
Wat een prachtig balletje, dit zal perfect voor ons spel zijn!
Drie onvergetelijke dagen brachten de vrienden samen door. Ze praatten vrolijk en speelden enthousiast het nieuwe spel van Kilsus.
Heb je het geraden: "Welke sportieve spel heeft Kilsus uitgevonden?"
Maar geleidelijk keerde de slaap terug naar de grondeekhoorns en brachten de eekhoorns ieder naar zijn burcht en zeiden tot ziens tot de lente.