Op een aardbeienveld leefde er eens een klein Rupsje. Hij was heel klein en kon zich niet eens meer herinneren hoe hij daar terecht was gekomen. Maar hij hield heel veel van zoet, dus maakte hij een huisje in een kleine aardbei. En het was daar zo heerlijk dat hij elke dag dit liedje zong:
Ik ben een heel slim rupsje! In de aardbei maakte ik een gaatje. Nu leef ik zoet en fijn, alles is in orde bij mij.
De vogeltjes hoorden het en kweeterden terug:
Wat een vreemde gewoontes! Een huisje van een aardbei! Beter om onder de boomschors te wonen, dan wordt je huisje stevig.
Maar het Rupsje deed hen na:
Alle vogeltjes zijn jaloers op mij! Ze willen een huisje van een aardbei!
De vogeltjes wilden niet discussiëren met het kleine domme Rupsje en vlogen weg om hun eigen dingen te doen.
De zomer ging voorbij, de aardbei groeide en het huisje van het Rupsje werd groter. Hij was heel blij en zong zijn liedje:
Ik ben een heel slim rupsje! In de aardbei maakte ik een gaatje. Mijn zoete huis groeit, er is steeds meer ruimte!
De muisjes hoorden het en piepten terug:
Wat een vreemde gewoontes! Een huisje van een aardbei! Beter om onder de grond te wonen, dan wordt je huisje warm.
Maar het rupsje deed hen na:
Boze kleine muisjes! Willen een huisje van een aardbei!
De muisjes wilden niet discussiëren met het koppige Rupsje en renden weg om hun eigen dingen te doen.
De zomer liep ten einde, de aardbei lag groot en rijp op het veld. En binnenin lag een groot rood Rupsje, dat zich vol had gegeten aan zijn zoete huisje. Hij was zo dik geworden dat hij zich nauwelijks kon omdraaien, maar hij bleef zijn liedje zingen:
Ik ben een heel slim rupsje! In de aardbei maakte ik een gaatje. Ik heb een enorm huis, ik leef het zoetst van allemaal.
De kevertjes hoorden het en zoemden terug:
Wat een vreemde gewoontes! Een huisje van een aardbei! Beter om onder een steen te wonen, dan wordt je huisje prachtig.
Maar het rupsje deed hen na:
Die beestjes zeuren maar wat! Willen een huisje van een aardbei!
De kevertjes wilden niet discussiëren met het vervelende Rupsje en kropen weg om hun eigen dingen te doen.
De herfst kwam. Het begon te regenen en de aardbei werd helemaal zacht en viel uit elkaar. Het Rupsje had geen huisje meer. En doordat hij de hele zomer alleen maar zoet had gegeten, was hij zo dik geworden dat hij geen stevig huisje meer kon maken onder de boomschors, of een warm huis onder de grond, of een veilig huisje onder een steentje.
Het Rupsje begreep dat hij nooit, nooit meer een huis in een aardbei zou maken. En hij begreep ook dat hij naar zijn ouderen had moeten luisteren. Omdat zij wisten hoe het verder zou gaan. En ze spraken niet uit boosheid, maar omdat ze wilden helpen. Maar hij wist het niet en luisterde niet. Hij werd verdrietig en koud, het Rupsje zuchtte en zei:
De herfst is gekomen. Ik had beter in een kokosnoot kunnen wonen.