Er woonden mama Natuur en haar vier dochters: Zomer, Herfst, Winter en Lente.
Lente was de jongste van de zusters, de vrolijkste en mooiste. Haar jurk was gemaakt van jonge groene blaadjes en dunne eerste bloemen. Met haar komst werd alles om haar heen wakker: bomen, vogels, dieren. Het leven begon te bruisen.
Maar één boze tovenaar hield niet van de Lente. Hij hield van haar zusters: de hete Zomer, de gouden Herfst en de sneeuwwitte Winter. De tovenaar besloot de boodschapper van de Lente te vangen — de nachtegaal — zodat zij zou verdwalen en niet zou terugkeren na de Winter.
De tovenaar begon een ijzeren kooi voor de nachtegaal te maken, en toen hij klaar was, ging hij de vogel vangen.
In de vroege ochtend vloog de nachtegaal uit zijn warme nest om een heldere melodie te zingen en de heldere zon wakker te maken, om de Lente op te roepen.
De tovenaar greep de zanger en zette hem in de kooi. Omdat de nachtegaal niet zong, kwam de zon niet achter de wolken vandaan en verlichte de aarde niet met zijn stralen. En de Lente werd ook niet wakker.
Maar hoe verlangden de kinderen naar de Lente! Iedereen was moe van de Winter, ze verlangden naar warmte en groen.
De kinderen begrepen dat de nachtegaal om de een of andere reden niet zong, daarom kwam de Lente niet op bezoek bij de mensen. De kinderen vroegen een Meester om fluiten voor hen te maken, waarmee zij het lied van de nachtegaal konden spelen.
Deze Meester hield erg van de Lente en maakte zonder aarzelen wonderbaarlijke fluiten. De kinderen begonnen te spelen, de zon hoorde de bekende melodie en kwam achter de wolken vandaan.
De Lente kwam! De sneeuw begon te smelten, beekjes stroomden. De warme stralen van de zon bereikten zelfs het huis van de tovenaar. De ijzeren kooi smolt, en de nachtegaal vloog naar vrijheid. En de Tovenaar werd nooit meer door iemand gezien.