De warme voorjaarszon verwarmde en kietelde de knop. Het jonge blaadje was erg benieuwd wat er buiten gebeurde. Dus sprong het uit zijn cocon, en het beviel hem zo goed buiten dat hij besloot nooit meer naar huis terug te gaan.
Na de eerste voorjaarsregen voelde het jonge blaadje dat het nog sterker en mooier was geworden, en vogeltjes gingen op het takje van de boom zitten om naar hem te kijken.
De hele zomer plezier had het blad van de boom. Zoveel bosdiertjes en vogels waren langs hem heen gelopen en gevlogen in die tijd, het was erg interessant voor hem om met iedereen te praten.
En ons blaadje merkte niet hoe de herfst was aangebroken, de vogels haastten zich naar warme landen. Het blaadje begon geel te worden, maar het probeerde met alle macht op het takje te blijven. Maar op een koude ochtend blies een sterke wind en rukte het blaadje af.
Met verdriet draaide het gele herfstblaadje rond boven zijn geboorteboom, de wind voerde het verder. Een groepje vogels vloog voorbij en het blaadje wilde met hen naar het zuiden vliegen, maar er bleven steeds minder krachten over, het zakte neer op een boomstronk en zag dat alle bosbewonerss zich druk maakten en voorraden voor de lange winter verzamelden. Zelfs de forse beer bereidde zich op winterslaap voor.
Maar het blaadje wilde niet de hele winter op de oude boomstronk doorbrengen, en zodra de zon het met haar eerste ochtendstralen raakte, werd het weer door het herfstwindje opgepakt en boven het bos opgetild. Het was erg interessant voor hem om zijn geboortebos van bovenaf te zien, hij zag alle bosbewonerss. En het kleine blaadje wilde helemaal niet zijn geboorteland verlaten, waar hij was geboren.
En hij vroeg de wind om hem terug op de grond neer te zetten. Het windje begreep alles en zette de reiziger in het hol bij de jonge konijntjes. In de winter was ons blaadje niet saai, want hij werd het favoriete speeltje van de kleine konijntjes.