In een prachtig bos, in een gezellige holte van een machtige eik, woonde een betoverend eekhoornlje. En ze was in alles prachtig. Met glad vachtje, pluizige staart, en schattige kwastjes op haar oortjes, en als ze door de bomen sprong, nam het je de adem. Zelfs haar naam was mooi — Bella. Alleen had het eekhoornlje geen vrienden. En dat was omdat ze maar bleef kiezen en niemand beter dan zichzelf kon vinden.
Ze liep eens door het bos. Tegemoet kwam een vrolijk en vlug konijntje.
O, Bellaja, laten we samen rennen. Wij gaan met de jonge dieren verstoppertje spelen.
Wat zeg je, konijn! Je bent scheeloogig, je hebt lange oren, en je staart is als een knopje, en je naam ook b-r-r
Het eekhoornlje snoof en sprong verder.
Een naam is een naam "Langoor", mijn moeder gaf het me en ik heb geen ander nodig
Dacht het konijn vrolijk en rende naar zijn vrienden.
Het eekhoornlje ontmoette eens een muisje bij haar huis.
Bellaja, help me alsjeblieft, mijn ingang naar mijn hol is verstopt met dennenappels, en mijn pootje doet pijn.
Nee, hoor. Je bent zo klein, en ook nog ziek of zo. Nee, je redt je wel alleen
En ze verstopte zich in haar holte.
En eens kwam er een witte berenjong, Sneeuwbal genaamd, op bezoek bij de bruine beer.
Het eekhoornlje zag hen samen en begon te lachen om Sneeuwbal:
Ha-ha-ha, hi-hi-hi. Wit als sneeuw, en ook nog Sneeuwbal. O, ik barst van het lachen, ha-ho-hi, heb je jezelf wel in de spiegel gezien?
Bellaja lachte hem uit.
Sneeuwbal begon te huilen, hij voelde zich beledigd. Hij was altijd trots op zijn witte vacht, maar nu lachten ze hem uit en beledigen hem.
De dieren wilden dit niet tolereren. En de bruine beer sprak met zijn diepe stem:
En wat nu, moeten we allemaal eekhoorns zijn? En zonder vrienden leven? Open je ogen eens en kijk om je heen: iedereen is anders, in lengte, in kleur, in talenten. Iedereen heeft zijn eigen bijzonderheden. Het konijn is scheeloogig, maar die ogen helpen hem alle vijanden te zien. Maar hij is snel en vrolijk.
Het muisje is klein maar dapper. Het helpt altijd iedereen. En dat het zijn pootje heeft verstuikt, kan iedereen overkomen. Maar het is zo aardig. En waarom beleedig je mijn Sneeuwbal? Hij is wit geboren, en jij bent rood, en ik ben bruin, en de kikker is groen. Zullen we dan over jou lachen? Mijn berenjong zal 's winters op de witte sneeuw niet zichtbaar zijn, maar jouw vurige schoonheid zie je van kilometers ver. Dus wat is beter?
De beer brulde en vroeg:
Moeten we allemaal eekhoorns zijn?
Zonder vrienden zo leven?
Kijk snel om je heen
En je zult het misschien begrijpen.
En de mier sprak alsof hij het dapperste van allemaal was:
De verschillen in de wereld zijn niet te tellen, en iedereen hier is zoals hij is.
Een klein mierje, maar dapper en sterk.
Een kleine egel, maar met een groot hart.
Helemaal vol stekels, maar helemaal niet gemeen.
De egel sprak ook, hoewel hij tot nu toe stil was geweest:
Een wit konijn, een rode vos. Een groene kikker is ook mooi.
Als een sprinkhaan een gebroken poot heeft, betekent dat niet dat hij slecht is.
De een is sneller, de ander handiger. De een is aardiger, de ander slimmer.
De verschillen in de wereld zijn niet te tellen, en iedereen hier is zoals hij is.
De vrienden zeiden in koor:
Het is niet aan ons om te oordelen.
We moeten samen vriendschappelijk leven.