Op een dag voor Nieuwjaar besloot Opa Vorst de kinderen met het feest te feliciteren en hen cadeaus te geven. De kinderen hadden het hele jaar goed gedragen en goed gestudeerd. Hij had veel cadeaus en snoepgoed voor hen voorbereid.
Dit alles stopte hij in een grote rode zak en ging naar de kinderen voor het feest. De zak was erg zwaar, en Opa Vorst liep langzaam, kreunend en zuchtte.
Het begon te sneeuwen. Toen hij het bos naderde, was er bijna een meter sneeuw gevallen. Het werd moeilijk voor Opa Vorst om te lopen. Hij liep naar een grote sneeuwberg en besloot uit te rusten — hij zette de zak op de grond en ging zitten.
Plotseling hoorde hij een piepgeluid, maar zag niemand in de buurt. Weer klonk er een piepje, maar de bron was niet zichtbaar. Ineens merkte Opa op dat de sneeuw op de berg bewoog en een klein wit staartje tevoorschijn kwam.
Wie ben jij? — vroeg Opa Vorst.
Ik ben Konijntje, — antwoordde "Staartje".
Konijntje, ik ga naar de kinderen, ik wil hen met Nieuwjaar feliciteren en cadeaus geven. Maar mijn zak is erg zwaar. Kun je me helpen hem te dragen? — vroeg Opa Vorst.
Graag, Opa, ik zal je helpen, — antwoordde Konijntje.
De sneeuwstorm hield niet op. De sneeuwhoopen werden groter, en Konijntje kon niet springen en bevoor. Opa Vorst stopte hem in zijn bontjas. De avond viel in, en in de winter wordt het snel donker.
Opa, — zei Konijntje, — vandaag halen we de kinderen niet. Ik weet waar we ons kunnen opwarmen. Hier vlakbij wonen mijn vrienden, Eekhoorndje en Uiltje. Ze hebben eten (zoals bekend, eekhoorns en uilen slaan voedsel op voor de winter). En ze wonen in een warm huisje.
Laten we snel gaan, wijs me de weg! — antwoordde Opa Vorst.
Gauw kwamen ze bij een mooi houten huisje waar Eekhoorndje en Uiltje woonden, klopten op de deur en werden binnengelaten.
Eekhoorndje en Uiltje waren blij met de gasten. Ze hadden Konijntje lang niet gezien, en ze droomden ervan Opa Vorst te ontmoeten. In het huisje was het warm en rook het naar thee met jam en koekjes. Na het theezetten begonnen de vrienden hun nieuws te delen.
Na het verhaal van hun gasten aan te horen, besloten Eekhoorndje en Uiltje hen te helpen. Op de ochtend van 31 december hield de sneeuwstorm op en scheen de zon. Maar er was veel sneeuw gevallen. Uiltje zei:
Jullie helpen Opa Vorst de zak dragen, en ik zal vliegen en jullie van bovenaf de weg wijzen.
Goed bedacht, Uiltje, anders zouden we lang in het bos verdwalen, — antwoordde Opa Vorst.
Uiltje vloog op en wees hen al gauw op een spar die op een heuvel groeide.
Zien jullie die spar?
Ja! — antwoordden Konijntje en Eekhoorndje in koor.
Gaat in de richting van de spar, en dan draait u rechtsaf, — commandeerde Uiltje.
Opa Vorst maakte iets dat op een slee leek van sparrentakken en zette de zak erop. Zo werd het voor de vrienden gemakkelijker om de zak met cadeaus te dragen. Na enkele uren kwamen ze bij de kleuterschool aan.
De kinderen waren erg blij, want ze hadden Opa Vorst zo lang verwacht en hadden zich goed voorbereid op het Nieuwjaarsfeest: ze hadden de kerstboom versierd, de kleuterschool versierd, zich in kostuums van sprookjesfiguren en bosbewonersgekleed, en gedichten geleerd.
Tot ziens! — zeiden Eekhoorndje en Uiltje en maakten zich klaar om naar huis te gaan.
Wacht, ga niet weg, blijf. We gaan nu plezier hebben en Nieuwjaar vieren.
En bovendien zijn er genoeg cadeaus voor iedereen! — zei Opa Vorst.
En de vrienden bleven. En Opa Vorst en Konijntje werden zo goed bevriend, dat vanaf die tijd op Nieuwjaarskaarten en in afbeeldingen in boeken Opa Vorst altijd samen met Konijntje wordt afgebeeld, die zijn beste vriend en onmisbare helper werd.