In een ver sprookjesbos woonde de koning der dieren, de Leeuw. Hij was een goed heerser: wijs, objectief en eerlijk. Hij had veel jaloezelingen, velen wilden op zijn plaats zitten. Maar de Beer was de grootste pretendent op de troon. Hij dacht dat hij ook koning der dieren kon zijn.
De Beer riep alle dieren bijeen en verklaarde:
Luister goed, ik zal orde in het bos brengen! Ik dans naar niemands pijpen en ik zal geen complimenten maken!
De rustige en evenwichtige Leeuw luisterde naar zijn toespraak en zei:
Wil je het proberen, Beer, alsjeblieft. Je bent slim en sterk – regeer. Als je een maand lang een goed leider bent, zal ik zelf afstand doen van de troon en het bestuur aan jou overdragen.
De vreugde van de Beer kende geen grenzen. Alleen de kleine dieren waren niet blij, want hij handelde alleen naar zijn grillen en negeerde de wensen van anderen. Maar het was eenvoudiger. Michaël beledigd niemand, at zich vol, legde vet aan, kroop in zijn hol en viel in winterslaap.
Toen begon het feest voor de dieren: de koning slaapt, vrijheid van handelen: plunderingen, gevechten, gescheld…
De Leeuw observeerde dit alles en besloot het beheer van het bos weer in zijn poten te nemen. De bosbewonersmochten niet te lang zonder koning blijven.
En de Beer bleef in zijn hol slapen.
De moraal van het sprookje:
Als je het niet kunt – pochen niet en beloof niet, maar als je het kunt – bewijs het met daden!